Foto: Szabolcs Magyar/Shutterstock
Op 8 april publiceerde de New York Times een uitgebreid onderzoek. Journalist John Carreyrou – de man die met zijn boek Bad Blood onthulde hoe Elizabeth Holmes met haar bedrijf Theranos jarenlang de medische wereld misleidde met bloedtesten die niet werkten – richtte ditmaal zijn aandacht op het grootste technologische mysterie van de 21e eeuw: de identiteit van Satoshi Nakamoto, de anonieme schepper van Bitcoin.
Zijn conclusie: de Britse cryptograaf Adam Back, uitvinder van het Hashcash proof-of-work algoritme, is de meest waarschijnlijke kandidaat. Carreyrou baseert zijn onderzoek op een machine-learninganalyse van schrijfstijlen, waarbij hij constateert dat er overlap is tussen dat van Back en Satoshi op onder andere het gebruik van twee spaties na een punt, Brits-Engelse spellingconventies en overlappende technische terminologie.
Een hypothese op zoek naar bewijs
Ondanks dat het een gedegen onderzoek is, ontbreekt er voor mij een cruciale verdieping. Nergens biedt het stuk een systematische vergelijking met andere geloofwaardige kandidaten: Hal Finney, Nick Szabo, Wei Dai, of anderen die in dezelfde cypherpunk-kringen verkeerden en precies dezelfde technische achtergrond deelden. De taaleigenschappen die Carreyrou als onderscheidend presenteert waren gangbaar binnen die hele gemeenschap.
Het whitepaper gebruikt merkwaardig genoeg zowel “I” als “we” – wat sommige cryptografen doet vermoeden dat meerdere mensen achter één pseudoniem schuilgingen.
Pas als dezelfde analyse net zo grondig op andere kandidaten was losgelaten, en Back dan nog steeds als duidelijkste match was overgebleven, had het iets kunnen bewijzen. Nu voelt het alsof de hypothese “Back is Satoshi” het onderzoek heeft gestuurd, in plaats van andersom.
Back zelf maakte er korte metten mee. “I’m not Satoshi,” schreef hij dezelfde dag op X.
De zoektocht blijft dus, Carreyrou ten spijt, gewoon open.
Het verlangen naar een boegbeeld
Toch is er meer aan de hand dan een enkel onderzoek van een journalist die achttien maanden in een rabbit hole verdween. Dat iemand als Carreyrou – die weet hoe je een zaak dichttimmert – bereid is een verhaal te brengen waarvan hij zelf moet zien dat het niet waterdicht is, zegt iets over de kracht van die honger.
Er zit een fysiek verlangen achter de zoektocht naar Satoshi. Het voelt als jeuk waar je net niet bij kunt komen. We weten dat er een schepper is. We kennen zijn schrijfstijl, zijn tijdzone-aanwijzingen, de krantenkop die hij op 3 januari 2009 in het allereerste Bitcoin-blok graveerde: “Chancellor on brink of second bailout for banks.”
We weten wat hij maakte en waarom. We weten alleen niet wie hij is.
De cognitief psycholoog George Loewenstein heeft daar een naam voor: de informatiekloof. De discrepantie tussen wat je weet en wat je wilt weten. Nieuwsgierigheid is in zijn model geen passieve interesse maar een actieve drang – vergelijkbaar met honger. Het verraderlijke is dat een klein beetje context die honger niet stilt, maar juist aanwakkert. Complete onwetendheid wekt geen nieuwsgierigheid. Gedeeltelijke kennis – net genoeg om de omvang van het gat te beseffen – doet dat des te sterker.
Maar er speelt iets dieper dan nieuwsgierigheid alleen. De evolutionaire leiderschapstheorie, zoals uitgewerkt door sociaal psycholoog Mark van Vugt, stelt dat de behoefte aan een herkenbare leider geen cultuurproduct is maar een biologisch gegeven. Groepen met identificeerbare leiders overleefden beter.
Dat instinct zit in ons. Een transformatief systeem zonder gezicht creëert een leegte en ons oerbrein wil die maar al te graag opvullen.
De wet zonder wetgever
Bitcoin is fundamenteel anders dan vrijwel alles wat mensen ooit hebben gebouwd. Geen CEO. Geen bestuur. Geen roadmap die door een autoriteit wordt vastgesteld. Het consensus-mechanisme is de grondwet, de code is de uitvoering en elke node die de regels handhaaft is tegelijkertijd rechter en burger. Het systeem werkt juist omdat er geen centrale autoriteit is. Een centraal aanspreekpunt zou tevens een centrale kwetsbaarheid betekenen.
Stel je voor dat morgen onomstotelijk bewezen wordt dat Adam Back Satoshi is. Wat dan? Dan heeft Bitcoin een eigenaar. Een gezicht dat voor de camera’s kan verschijnen, dat gedagvaard kan worden, dat van gedachten kan veranderen.
Maar juist het ontbreken van zo’n centraal boegbeeld is de kern van de kracht van Bitcoin. De ware schepper is het netwerk zelf, gedragen door alle volgelingen die de regels handhaven.
Het sacrament van de anonimiteit
“We are all Satoshi.” De zin circuleerde in de vroege Bitcoin-gemeenschap als solidariteitsgebaar, maar hij draagt een diepere waarheid in zich, die precies samenvalt met hoe het netwerk zelf functioneert.
In een decentraal systeem is leiderschap per definitie verdeeld. Elke node valideert. Elke miner beveiligt. Elke gebruiker die weigert zijn private keys aan een derde af te staan, handhaaft het oorspronkelijke principe. Satoshi’s verdwijning was geen mysterie – het was de meest consequente daad die de schepper van een decentraal netwerk kon verrichten. Oplossen in je eigen schepping. Opgaan in het systeem dat je bouwde.
Er zit bijna iets sacramenteels in dat gebaar. Een schepper die zichzelf wegcijfert zodat het systeem kan zijn wat het belooft te zijn: van niemand en van iedereen. Geen profeet die terugkeert om richting te geven. Geen orakel dat geraadpleegd wordt. Alleen code, wiskunde, en de collectieve keuze van miljoenen om eraan deel te nemen.
Misschien heeft Carreyrou gelijk. Misschien is Adam Back inderdaad Satoshi – net zoals wij dat allemaal zijn.